Zout naar de zee brengen

Zout naar de zee brengen

Ik zit met mijn voeten in de dode zee. De zoutkristallen op de bodem prikken in mijn voetzolen. Mijn tranen druppen in het water. Dat doet me glimlachen. Was deze zee nog niet zout genoeg?

Ik heb een dag met de crew doorgebracht, ons kamp van die nacht ligt aan de dode zee. Hoewel het in de ochtend de beste beslissing leek om met de crew mee te gaan, weet ik in de middag weer hoe dit mijn gemoed omlaag brengt. Dezelfde vragen spoken door mijn hoofd terwijl ik naar mijn gezwollen voet in het water kijk: ‘kan ik niet beter stoppen? Ben ik mezelf niet teveel aan het pushen? Waarom doe ik dit eigenlijk?’

Mijn mede-wandelaars komen binnenstrompelen. Het was een lange en zware dag. ‘Het is maar goed dat je niet hebt gelopen,  want het was super zwaar,’ verzekeren ze me. Het doet me niet echt beter voelen.

Ik ben vastbesloten om in de dode zee te zwemmen. De zon is al achter de bergen gezakt en het begint flink af te koelen, maar ik moet en zal een gouden randje aan mijn dag geven. Nitay en Dawn gaan met me mee. Ik weet natuurlijk dat je blijft drijven en had ik mijn hoofd zitten dat het wel vergelijkbaar zou zijn met de zoutwaterbaden in de sauna. Nope. Dit is een vertienvoudiging van het drijfeffect van de saunabaden. Ik voel me vrij en gedragen in het water. Ik draai me op mijn buik om een stukje te zwemmen. Dat is een stuk lastiger omdat mijn benen blijven drijven en ik daardoor weinig water kan verplaatsen. Ik moet er van lachen. En daar is mijn gouden randje.

Vorige week kocht ik wat haaknaalden en garen toen ik in Be’er Sheva was. Ik ben ongelofelijk blij dat mijn handen kunnen creëren nu mijn voeten wat meer stil zitten.

Voor Dawn, omdat ze zich zorgen maakt over de koude nachten in de woestijn
Een trailmark voor Jaimie

De afgelopen week was een week van puzzelen; dat stuk lopen en dan daar een bus en dan zo laat daar zijn zodat ik opgepikt kan worden door die en die. Ik ben blij dat ik goed ben in het uitzoeken van bussen en bekijken van kaarten. De stukken die ik loop zijn ontzettend ontiegelijk onbeschrijfelijk mooi. We zijn inmiddels in de woestijn aangekomen. Een heel ander soort woestijn dan zoals ik deze (van Dubai en Oman en de plaatjes) ken. Dit is een rotsige woestijn. Geen zachte zandduinen. Het is bizar hoe snel het landschap verandert. In de ochtend kan het nog heel anders zijn dan in de middag. Ik blijf maar foto’s maken van deze schoonheid, terwijl ik tegelijk weet dat het niet te bevatten is in een plaatje…

zoek het trailmark!
Daar kwam ik vandaan! Always look back.
Met Avigail

Terwijl ik plaatjes naar huis stuur, komen er plaatjes van thuis bij mij binnen. Het is onwerkelijk om dikke winterjassen en zwarte pieten te zien. Het is zo ver weg van de hete volle dagen buiten met de koude nachten weggekropen in mijn slaapzak onder overweldigende sterrenhemels.

Toch is er een beetje Nederlandse cultuur meegekomen op de trail. Ik vertelde Nitay over Sinterklaas en sindsdien ontvang ik dagelijks iets lekkers in mijn schoen: chocolade, noten, halva, avocado. Allemaal ongelofelijke luxe-producten op deze plek waar we als wandelaars bijna niet bij winkels komen en de voorraad van de truck super basic is.

Shabbat = rustdag = wasdag
Vanochtend wakker worden…
Wakker worden aan de dode zee
Pushing it

Pushing it

Na mijn heerlijke eerste succeservaringen terug op de trail, besluit ik uit te zoeken waar mijn grens ligt. Dus loop ik de gehele afstand van die dag: 23km. Het eerste stuk loop ik in gezelschap en het laatste stuk loop ik naar muziek te luisteren en te huilen, huilen, huilen. Nieuwe lagen van rouw en verdriet komen omhoog. Ik ben super trots en blij aan het einde van deze dag. Een heerlijke vermoeidheid maakt zich meester van mijn lijf.

De volgende dag krijg ik de rekening van mijn ge-push. Mijn enkel is dik en pijnlijk. Ik loop nog zo’n 8 kilometer, maar moet dan toegeven dat het echt teveel is. Ik word door de crew opgepikt bij een tankstation. De dag erna ga ik op pad met een paar mede-spijbelaars. We lenen een auto en bezoeken de grotten in het nabijgelegen Beit Guvrin-Maresha National Park. Mijn enkel blijft pijnlijk. Ik ben gefrustreerd. Het voelt als een stap terug (dat was een onbedoelde woordspeling). Ik word al kwaad bij het idee van nog een dag afhankelijk te zijn van de crew en weiger rond te hangen en niksend door te brengen. Dus loop ik een paar kilometer naar de dichtstbijzijnde bushalte en neem de bus naar de grote lelijke stinkstad in de buurt: Be’er Sheva.
Ik bezoek het oude centrum, waar niks te zien of beleven is en loop dan naar de shoppingmall. De frustratie blijft onderdeel van mijn gemoedstoestand. Ik sus mezelf met het idee dat ik nu in ieder geval iets van invloed had over mijn eigen dag. Ik was niet compleet afhankelijk van anderen. Dat helpt maar een beetje.

Op mijn solo-tripje leer ik weer meer over dit fascinerende land. Mede-wandelaats hebben me vertelt over hun tijd in het leger, maar op het busstation van Be’er Sheva krijg ik een beeld van hoe normaal het is. Het wemelt er van de 18 jarige jongeren (jongens en meisjes) in uniform. Velen van hen dragen een groot machinegeweer over hun schouder. Ze zijn op weg naar de kazerne of huis. De manier waarop er over het leger gesproken wordt (of over dienen in het leger, beter gezegd) geeft weer hoe het onderdeel is van het normale leven. Hier zeggen ze “toen ik in het leger zat” op eenzelfde manier als wij “toen ik een boterham met kaas at” zouden zeggen. De 20-25 jarige mede-wandelaars hebben allemaal hun tijd gediend. Sommigen vonden het geweldig, de meesten waren hun tijd aan het aftellen. Geen van deze jongeren hebben aan het front gevochten. De oudere garde natuurlijk wel.
Ofri, een jongen van de crew van een jaar of 35, wijst naar een gepantserde legerwagen als ik bij hem in de auto zit. “Zie je die? Daarmee reden we de arabische dorpen in om de m*%&#f%cker criminelen te pakken. Dan hoorde je het tikken van de stenen die gegooid werden tegen de auto aan en zag je de granaten vliegen. That was fun.”
Mijn mond valt nog net niet open van verbazing. Fun? Ik krijg niet de kans om er verder naar te vragen. De andere mensen in de auto nemen het gesprek over en het gaat al weer ergens anders over. Want zo normaal is het leger.

De dag erna loop ik weer. 17km. Waarvan de laatste 4 eigenlijk teveel zijn. Maar ik was natuurlijk te eigenwijs om iemand te bellen of om te liften. Mijn behoefte om sterk, zelfstandig en onafhankelijk te zijn wint het van de behoefte aan rust van mijn enkel. Wetend dat het bijna Shabbat is en rustdag voor iedereen, zorgt ervoor dat ik nog even doorloop. Want ik wil zo graag…

De omgeving is prachtig en indrukwekkend. Ik sta bovenop een heuvel met 360° uitzicht op de heuvels er omheen. Ik loop een stuk langs de muur met Palestina. De scheiding en de geschillen hebben hier hun fysieke vorm die me raakt. Pijnlijk en rauw om zo’n grijze, koude lijn het land te zien splitsen.

Eenzelfde ervaring had ik toen ik vorige week met Nitay Jeruzalem bezocht. We stonden op de Tower of David in het oude centrum en keken uit over de stad. Vanuit deze positie probeer ik een idee te krijgen van de delen van de stad waar Nitay wel en niet komt.

Het is de eerste keer voor Nitay dat hij het oude centrum bezoekt. En dat terwijl hij er 2 straten vandaan woont. Het is een gedeelte dat wemelt van de souvenirwinkeltjes en toeristen. Nitay geeft aan dat hij er zich niet helemaal op zijn gemak voelt als Israelier. Dus blijft hij stug Engels praten tegen alle winkeliers in de hoop dat hij eerder als Turk dan als Israelier gezien zal worden. Ik kan moeilijk inschatten hoe gegrond zijn angst is.

Het oude centrum heeft verschillende delen; een armeens, cristelijk, joods en moslim deel. Zodra we dit laatste deel verlaten via de Damascus Gate, wil Nitay er zo snel mogelijk weg. Blijkbaar is dit een plek waar met enige regelmaat aanslagen gebeuren. Het is voor mij moeilijk te bevatten dat deze drukke markt, vol met winkelende (Arabische) locals en toeristen ook deze grimmige geschiedenis herbergt. Ik neig dan ook de zenuwen van Nitay wat weg te wimpelen. De ernst van het gevaar dringt ook een paar dagen later nog niet tot me door; er zijn twee aanslagen gepleegd in Jeruzalem. Niet daar waar wij waren, maar toch. 1 dode en zo’n 20 gewonden. Ik geloof dat mijn brein blijft bij “mij zal niks overkomen” omdat anders onbezorgd reizen bijna onmogelijk wordt.

The good and the bed

The good and the bed

Een echt bed! Ik slaap in een echt bed!! Ik ben bij Nitay, een mede-wandelaar, in Jerusalem. De afgelopen maand sliep ik in mijn tent of op een slaapbank. Een heus bed voelt als luxe. Net als een douche waar je langer dan een minuut onder mag staan omdat je geen rekening hoeft te houden met nog 20 andere zweterige wandelaars die allemaal willen genieten van de 1000 liter water.

Deze ochtend word ik wakker met het geluid van kerkklokken. Het is een tijd geleden dat ik dat heb gehoord. Ik hoorde het islamitische oproep tot gebed, jakhalzen en andere ondefinieerbare geluiden, maar al tijdenlang geen kerkklokken. Vandaag is u rustdag van de hike, dus gaat Nitay me Jeruzalem laten zien.

Inmiddels heb ik een week gewandeld met mijn herstellende enkel. Dag 1 van het wandelen was ik enorm extreem blij dat ik weer op het pad was. Ik was meer aan het dansen dan aan het wandelen. De dagen erna maakte ik een inschatting van wat mijn enkel aankon. Een paar keer nam ik een stukje een bus en ik nam een dagje vrij om met wat anderen rond te slenteren door Tel Aviv. Mijn enkel is helemaal oke met zo’n 15-18 kilometer lopen. Gisteren was het zelfs oke om een zeer rotsige helling (dus zeer ongelijke ondergrond) te beklimmen. Daar ben ik onwijs blij mee!

Een paar dagen geleden lag ik op een bankje te pauzeren. Toen ik mijn ogen open deed en rechtop ging zitten, zat er een oudere man een aantal meter van me vandaan op een ander bankje. De man was traditioneel ‘ religieus’ (zoals ze het hier zeggen) gekleed; een keppel op zijn hoofd, grote witte baard en pejots (de joodse pijpenkrullen) aan de zijkant van zijn hoofd. Verder heeft hij een flinke buik en draagt hij een vergeeld wit overhemd. Hij begint met me te praten, eerst in het hebreeuws, maar als dat weinig succes heeft komen we uit op de meest geschikte taal voor ons om in te communiceren: Duits. De man had Duitse voorouders. Ik vertel hem wat over Shvil Israel (de locale naam voor het Israellian National Trail). Dat is niks voor hem, zegt hij. Hij is 69 en heeft last van zijn knieen. Na een tijdje wil ik verder gaan. Ik sta op, hij pakt mijn hand vast. Ik wens hem een fijne dag. Hij tuit zijn lippen en vraagt ‘ein Kuss?’ Ik trek mijn hand terug en voordat ik meer dan ‘ nein’ heb kunnen zeggen, zegt hij: ‘ Waarom niet, ben je getrouwd?’ Juist. Dat zou inderdaad de enige en enkele reden zijn dat ik niet met deze man zou willen zoenen. Helaas is mijn Duits niet toereikend om precies dit uit te drukken. Dus zeg ik dat ik niet wil en loop met ferme passen weg.

Ik geniet enorm van het alleen lopen, op mijn eigen tempo de omgeving in me opnemen en af en toe dansend met muziek in mijn oren mijn weg te gaan. Gisteren werd ik chagrijnig wakker en wist: dit is niet een dag om alleen te gaan lopen. Dus sluit ik me aan bij Dawn (ofwel Momma Dawn aangezien ze dezelfde leeftijd als mijn moeder heeft en graag over iedereen moedert) en Schahar en zijn hond. Dawn en Schahar lopen graag samen. Ze zijn een interessant koppel; de Amerikaanse Christelijke vrouw en de Israelische ex-drugs dealer. Gesprekken zijn vaak in de trant van: ‘ Dawn, als je zou moeten kiezen, zou je dan eerder naakt yoga doen of een joint roken?’ In de groep wordt er wel eens gegrapt dat als deze twee mensen vrienden kunnen zijn, wereldvrede echt wel een mogelijkheid is. Ik loop met hen samen en volg geamuseerd hun gesprekken. Binnen een paar minuten is mijn chagrijnigheid vervlogen. Aan het einde van de dag, tijdens een steile klim die Schahar en ik beiden vervloeken, hebben we een spontaan dansmoment. Het is fijn om met mensen samen te zijn als het even wat zwaarder is.

Deze reis voelt alsof ik omringt word door reis-engeltjes. Dat klinkt misschien vreemd omdat ik twee weken niet kon wandelen vanwege mijn verstuikte enkel. Toch had mijn ‘ ongeluk’ niet fantastischer kunnen gebeuren. Het gebeurde op de perfecte plek (dicht bij kamp, dicht bij het huis van Hagit) en er was hulp van alle kanten. Dat ik na twee weken flinke afstanden kan wandelen op een heftig verstuikte enkel mag een klein wonder heten.

Ik was dus blij dat ik een paar dagen geleden een reis-engeltje voor iemand anders kon zijn. Ik stond bij een bushalte te wachten op mijn bus om de wandeling van die dag in te korten. Vier mensen op leeftijd stonden wat verdwaasd bij dezelfde bushalte te wachten. Er werd wat geagiteerd overlegd in het Engels. Deze mensen waren duidelijk verdwaald, wisten niet hoe het bussysteem werkte en omdat ze al een tijdje aan het proberen waren dit op te lossen was de energie richting paniekerig aan het gaan. Dus hielp ik ze door te laten zien hoe de openbaar vervoer-app werkt en zocht ik voor ze uit welke bus ze moesten hebben. Het eerste stuk namen we dezelfde bus. De paniek steeg flink toen het ze niet lukte te betalen met hun creditcard: ‘ Nu worden we de bus uitgezet!’ Ik leen ze mijn lokale ov-chipkaart en de gemoederen bedaren weer wat. Ik laat ze zien wanneer ze op het knopje moeten duwen als ze willen dat de bus stopt bij hun halte. Half opgelucht, maar vooral gespannen voor het volgende gedeelte van hun reis verlaten ze de bus. Ik hoop maar dat ze nog een engeltje tegenkomen die ze helpt bij de rest van hun reis.

Back on track!

Back on track!

Eerste dag weer on the trail
wakker worden in mijn tentje

Weinig woorden deze keer. Gewoon heeeeel erg blij om weer aan het wandelen te zijn. Gisteren was de eerste dag en ik deed zo’n 12 (!!) Km. Ging super!

(bijna) weer een berggeit

(bijna) weer een berggeit

‘Goodmorning!’ zegt de glimlachende vuilnisophaler in zijn karretje. Hij kent me inmiddels en ondanks dat we elkaar de vorige dagen in het Hebreeuws groette met ‘Bokertov!’ is hij overgeschakeld naar het Engels. Waarschijnlijk ben ik een bijzondere verschijning. De vrouw die iedere ochtend en middag door het dorp heen wandelt.

Het is niet alleen de vuilnisophaler die me voortaan herkent. De zwermen zwerfkatten blijven voortaan rustig zitten als ik voorbij kom en een vriend van de familie remt af als hij me ziet wandelen. ‘Er zijn niet veel mensen die wandelen in Katzir, laat staan wandelen en dansen. Dat kan dus niet anders dan een buitenlander zijn,’ merkt hij op nadat ik de muziek uit mijn oren heb gehaald. Ik vertel hem blij hoe goed het met mijn enkel gaat.

Mijn eerste dagen bij de familie bestonden uit rusten, rusten, rusten. Ik word als vanzelf onderdeel van het gezinsleven: ik volg samen met Hagit Feldenkrais lessen via zoom, ik haal Amitay mee op van school en maak lunch klaar.

De rust, revalidatie-oefeningen en massages werpen hun vruchten af. Ik word steeds mobieler. Het wordt een gewoonte om iedere ochtend en iedere middag een stuk te gaan wandelen. Ik begin voorzichtig en gebruik ieder bankje als een rustmoment. Iedere wandeling merk ik dat mijn lijf net iets meer kan. Mijlpalen zijn zonder steun-enkel-sok lopen, zonder te hinken lopen, een trap aflopen waarbij ik mijn benen om en om gebruik (zoals ‘normaal’ is) en over een grindpad lopen. Vandaag is een feestje, ik loop op mijn middagwandeling 4,5 kilometer! Waar ik de afgelopen dagen nog ieder bankje gebruikte voor een pauze, loop ik vandaag bijna alle bankjes voorbij. Ik ben blij!

yup, die steile heuvel bewandelde ik vandaag!
Mijn wandelstokken krijgen een andere functie

Afgelopen weekend ging ik met de bus naar de Kibbutz van een mede-wandelaar: Or. Het kamp van de wandelaars is niet ver weg van zijn huis in de Kibbutz, dus brengen we de rustdag met een paar wandelaars door in zijn huis. Mijn eerste echte Kibbutz ervaring. Or geeft ons een tour over het terrein in een elektrisch golfkarretje. Hij vertelt dat de fabriek (iets met ijzeren profielen ofzo) niet langer van de Kibbutz is, die hebben ze verkocht. Het grootste inkomen voor de Kibbutz komt nu van mensen op leeftijd die een kamer huren op het terrein. Er zijn zo’n 40 kamers (een heus bejaardentehuis zo alles bij elkaar). Iedere oudere heeft een hulp in dienst, over het algemeen een Fillipijnse. Verder kan iedereen in de Kibbutz komen wonen als je maar genoeg geld hebt om een huis te bouwen (een miljoen Sjekkel, wat ongeveer 3,5 ton is).
De regels en gewoonten zijn per Kibbutz verschillend. Omer, een mede-wandelaarster, vertelde me namelijk dat er in hun Kibbutz een procedure is om toe te mogen treden als burger. Hoewel ze is geboren in de Kibbutz, heeft ook zij deze procedure moeten doorgaan toen ze 18 werd en besloot bewoonster te willen zijn van de Kibbutz. Haar vriend woont in de Kibbutz als gast. Hij heeft er voorlopig voor gekozen om nog niet de gesprekken en het papierwerk te doorstaan. Dat is ook een optie.

Terwijl we in het golfkarretje over het terrein hobbelen, zien Elliot en ik het buitenzwembad liggen. ‘Wow, een zwembad! Kunnen we zwemmen?’ Or lacht om deze ‘domme’ vraag. ‘Nee, het is winter, dan is het zwembad dicht.’ Elliot en ik, door en door Europeanen, kijken elkaar verbaasd aan. Daar zitten we dan in onze korte broeken en t-shirts, zonnebrillen op en zo’n 28 graden. Het is winter. Dus is het zwembad dicht.

Or kondigt aan dat hij ons de beste hummus van de hele wereld gaat laten eten en neemt ons mee naar Nazareth. We komen aan bij een restaurant waar het ongelofelijk druk is. Ieder tafeltje zit vol, er krioelen een 10tal obers tussendoor en voor de ingang staat een lange rij. Ik vergaap me aan de overvolle en kleurige saladebar. Or loopt naar de man bij de ingang, geeft hem een mannenhand (zo één waarbij je tegen elkaars hand aan slaat voordat je die vastpakt) en maakt een praatje. Even denk ik dat Or ons laat zien hoe je als echte Isreali professioneel kunt voordringen (want daar zijn ze goed in hier), maar al snel komt Or teruglopen naar ons. Zijn naam staat op de wachtlijst en we zullen vanzelf geroepen worden als we aan de beurt zijn.
Zodra we aan een tafeltje zitten bestellen we. In dit restaurant bestel je dus een portie hummus. Dat is je gerecht. Daarbij krijg je dan nog allemaal bakjes op tafel gezet die uit de saladebar afkomstig zijn. Maar je hoofdgerecht is hummus. Oke, je kunt er nog wat falafel of shoarma bij bestellen, maar alleen maar in dienst van de hummus.
Or heeft niet gelogen. Ik weet niet of het de beste hummus van de wereld is, het is zeker de beste hummus die ik ooit heb gegeten. De halve kilo hummus verdwijnt gemakkelijk mijn buik in. Hij is uitermate crèmerig en tezamen met de kleurige saladeschaaltjes is het verrukkelijk. Ik besluit dat ik ben doodgegaan en in de voedselhemel ben terecht gekomen. En zo niet, dan kan ik nu als een tevreden mensen sterven.

In Katzir ontmoet ik een vertaalster van kinderboeken. Ze vraagt me of ik het boek ‘de mol die wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept’ ken. Natuurlijk ken ik het boek. (Voor degene die het niet kent: de mol ontdekt dat er iemand op zijn kop heeft gepoept en gaat op onderzoek uit wie dat heeft gedaan. Hij vraagt het het paard, de koe, … allemaal laten ze zien hoe hun poep eruit ziet en dat ze het dus niet hebben gedaan. Hij ontdekt dat het de hond was en om hem terug te pakken poept mol (zijn ienieminie drolletje) op de kop van de hond.) De vrouw vertelt dat het haar best wat moeite heeft gekost om het te laten publiceren. Veel uitgeverijen waren niet geïnteresseerd. Uiteindelijk is het wel uitgegeven. Pas toen het uitkwam zag de vrouw dat de pagina waarop het varken wordt gevraagd of hij het heeft gedaan, uit het boek is weggelaten. ‘Crazy!’ zegt ze. ‘Het varken wordt niet eens gegeten ofzo in het verhaal, maar toch hebben ze hem uit het boek gehaald.’ Crazy inderdaad. Zoals wel meer dingen.

Ik verzamel nog wat interessante Sabbat-weetjes. Sabbat is rustdag. Voor de streng religieuze mensen in dit land wordt het rusten tot in de details doorgevoerd. Zo scheur je niet het toiletpapier van de rol af op Sabbat, dat doe je de dag ervoor alvast. Ook stel je de lampen in met verschillende tijdschakelaars zodat je het licht niet aan en uit hoeft te doen. Omer vertelt dat haar oma niet zelf de televisie aanzet op Sabat, maar het is prima als iemand anders de televisie aandoet zodat ze kan kijken.

Over een paar dagen hoop ik me weer bij de bubs te voegen om (stukken) te gaan wandelen. Hier in het noorden kan ik nog terugvallen op bussen, dus kan ik het de komende tijd nog rustig aan doen en niet de volle dagen wandelen, maar stukken ervan. Iedere dag krijg ik appjes, foto’s en filmpjes van mensen van de groep die vragen wanneer ik weer kom en dat ze me missen. Erg fijn.