‘Goodmorning!’ zegt de glimlachende vuilnisophaler in zijn karretje. Hij kent me inmiddels en ondanks dat we elkaar de vorige dagen in het Hebreeuws groette met ‘Bokertov!’ is hij overgeschakeld naar het Engels. Waarschijnlijk ben ik een bijzondere verschijning. De vrouw die iedere ochtend en middag door het dorp heen wandelt.

Het is niet alleen de vuilnisophaler die me voortaan herkent. De zwermen zwerfkatten blijven voortaan rustig zitten als ik voorbij kom en een vriend van de familie remt af als hij me ziet wandelen. ‘Er zijn niet veel mensen die wandelen in Katzir, laat staan wandelen en dansen. Dat kan dus niet anders dan een buitenlander zijn,’ merkt hij op nadat ik de muziek uit mijn oren heb gehaald. Ik vertel hem blij hoe goed het met mijn enkel gaat.

Mijn eerste dagen bij de familie bestonden uit rusten, rusten, rusten. Ik word als vanzelf onderdeel van het gezinsleven: ik volg samen met Hagit Feldenkrais lessen via zoom, ik haal Amitay mee op van school en maak lunch klaar.

De rust, revalidatie-oefeningen en massages werpen hun vruchten af. Ik word steeds mobieler. Het wordt een gewoonte om iedere ochtend en iedere middag een stuk te gaan wandelen. Ik begin voorzichtig en gebruik ieder bankje als een rustmoment. Iedere wandeling merk ik dat mijn lijf net iets meer kan. Mijlpalen zijn zonder steun-enkel-sok lopen, zonder te hinken lopen, een trap aflopen waarbij ik mijn benen om en om gebruik (zoals ‘normaal’ is) en over een grindpad lopen. Vandaag is een feestje, ik loop op mijn middagwandeling 4,5 kilometer! Waar ik de afgelopen dagen nog ieder bankje gebruikte voor een pauze, loop ik vandaag bijna alle bankjes voorbij. Ik ben blij!

yup, die steile heuvel bewandelde ik vandaag!
Mijn wandelstokken krijgen een andere functie

Afgelopen weekend ging ik met de bus naar de Kibbutz van een mede-wandelaar: Or. Het kamp van de wandelaars is niet ver weg van zijn huis in de Kibbutz, dus brengen we de rustdag met een paar wandelaars door in zijn huis. Mijn eerste echte Kibbutz ervaring. Or geeft ons een tour over het terrein in een elektrisch golfkarretje. Hij vertelt dat de fabriek (iets met ijzeren profielen ofzo) niet langer van de Kibbutz is, die hebben ze verkocht. Het grootste inkomen voor de Kibbutz komt nu van mensen op leeftijd die een kamer huren op het terrein. Er zijn zo’n 40 kamers (een heus bejaardentehuis zo alles bij elkaar). Iedere oudere heeft een hulp in dienst, over het algemeen een Fillipijnse. Verder kan iedereen in de Kibbutz komen wonen als je maar genoeg geld hebt om een huis te bouwen (een miljoen Sjekkel, wat ongeveer 3,5 ton is).
De regels en gewoonten zijn per Kibbutz verschillend. Omer, een mede-wandelaarster, vertelde me namelijk dat er in hun Kibbutz een procedure is om toe te mogen treden als burger. Hoewel ze is geboren in de Kibbutz, heeft ook zij deze procedure moeten doorgaan toen ze 18 werd en besloot bewoonster te willen zijn van de Kibbutz. Haar vriend woont in de Kibbutz als gast. Hij heeft er voorlopig voor gekozen om nog niet de gesprekken en het papierwerk te doorstaan. Dat is ook een optie.

Terwijl we in het golfkarretje over het terrein hobbelen, zien Elliot en ik het buitenzwembad liggen. ‘Wow, een zwembad! Kunnen we zwemmen?’ Or lacht om deze ‘domme’ vraag. ‘Nee, het is winter, dan is het zwembad dicht.’ Elliot en ik, door en door Europeanen, kijken elkaar verbaasd aan. Daar zitten we dan in onze korte broeken en t-shirts, zonnebrillen op en zo’n 28 graden. Het is winter. Dus is het zwembad dicht.

Or kondigt aan dat hij ons de beste hummus van de hele wereld gaat laten eten en neemt ons mee naar Nazareth. We komen aan bij een restaurant waar het ongelofelijk druk is. Ieder tafeltje zit vol, er krioelen een 10tal obers tussendoor en voor de ingang staat een lange rij. Ik vergaap me aan de overvolle en kleurige saladebar. Or loopt naar de man bij de ingang, geeft hem een mannenhand (zo één waarbij je tegen elkaars hand aan slaat voordat je die vastpakt) en maakt een praatje. Even denk ik dat Or ons laat zien hoe je als echte Isreali professioneel kunt voordringen (want daar zijn ze goed in hier), maar al snel komt Or teruglopen naar ons. Zijn naam staat op de wachtlijst en we zullen vanzelf geroepen worden als we aan de beurt zijn.
Zodra we aan een tafeltje zitten bestellen we. In dit restaurant bestel je dus een portie hummus. Dat is je gerecht. Daarbij krijg je dan nog allemaal bakjes op tafel gezet die uit de saladebar afkomstig zijn. Maar je hoofdgerecht is hummus. Oke, je kunt er nog wat falafel of shoarma bij bestellen, maar alleen maar in dienst van de hummus.
Or heeft niet gelogen. Ik weet niet of het de beste hummus van de wereld is, het is zeker de beste hummus die ik ooit heb gegeten. De halve kilo hummus verdwijnt gemakkelijk mijn buik in. Hij is uitermate crèmerig en tezamen met de kleurige saladeschaaltjes is het verrukkelijk. Ik besluit dat ik ben doodgegaan en in de voedselhemel ben terecht gekomen. En zo niet, dan kan ik nu als een tevreden mensen sterven.

In Katzir ontmoet ik een vertaalster van kinderboeken. Ze vraagt me of ik het boek ‘de mol die wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept’ ken. Natuurlijk ken ik het boek. (Voor degene die het niet kent: de mol ontdekt dat er iemand op zijn kop heeft gepoept en gaat op onderzoek uit wie dat heeft gedaan. Hij vraagt het het paard, de koe, … allemaal laten ze zien hoe hun poep eruit ziet en dat ze het dus niet hebben gedaan. Hij ontdekt dat het de hond was en om hem terug te pakken poept mol (zijn ienieminie drolletje) op de kop van de hond.) De vrouw vertelt dat het haar best wat moeite heeft gekost om het te laten publiceren. Veel uitgeverijen waren niet geïnteresseerd. Uiteindelijk is het wel uitgegeven. Pas toen het uitkwam zag de vrouw dat de pagina waarop het varken wordt gevraagd of hij het heeft gedaan, uit het boek is weggelaten. ‘Crazy!’ zegt ze. ‘Het varken wordt niet eens gegeten ofzo in het verhaal, maar toch hebben ze hem uit het boek gehaald.’ Crazy inderdaad. Zoals wel meer dingen.

Ik verzamel nog wat interessante Sabbat-weetjes. Sabbat is rustdag. Voor de streng religieuze mensen in dit land wordt het rusten tot in de details doorgevoerd. Zo scheur je niet het toiletpapier van de rol af op Sabbat, dat doe je de dag ervoor alvast. Ook stel je de lampen in met verschillende tijdschakelaars zodat je het licht niet aan en uit hoeft te doen. Omer vertelt dat haar oma niet zelf de televisie aanzet op Sabat, maar het is prima als iemand anders de televisie aandoet zodat ze kan kijken.

Over een paar dagen hoop ik me weer bij de bubs te voegen om (stukken) te gaan wandelen. Hier in het noorden kan ik nog terugvallen op bussen, dus kan ik het de komende tijd nog rustig aan doen en niet de volle dagen wandelen, maar stukken ervan. Iedere dag krijg ik appjes, foto’s en filmpjes van mensen van de groep die vragen wanneer ik weer kom en dat ze me missen. Erg fijn.